1945: Garmerwolde onder vuur

Martje van Dijk-Hutting (1901 - 1995, Dorpsweg 19) vertelt

Mevrouw M. van Dijk (foto: Harry Huizinga)

‘De Canadezen waren al in de stad (Groningen); we wisten dat ze naar Delfzijl moesten en dat we dus in een gevaarlijke zone zaten. Omdat we geen kelder hadden (alleen een kelderkast), besloot mijn man om samen met Kees Klei een schuilkelder achter ons huis te graven. Tegen de wanden maakten ze ijzeren platen en voor het dak gebruikten ze dubbele golfplaten. Als extra bescherming kwam er een laag grond bovenop. Om de kou tegen te houden, hingen ze zakken langs de wanden. De ingang bestond uit een lange ronde gang met wenteltrapjes. Om op te zitten zetten ze er negen veilingkistjes in. In één dag kregen ze de kelder klaar.

In de schuilkelder
‘s Avonds (de avond van 14 april (red.)) gingen mijn dochter Tity en ik de kelder bekijken. Behalve de kisten zagen we een stallantaarn en een wekker; verder niets. We gingen recht tegenover de ingang zitten. We zaten nog maar net of de eerste granaten vielen. Binnen tien minuten kwamen de familie Rollema (drie personen), de familie Schoonveld (twee personen) en Kees Klei en was de schuilkelder (bijna) vol. Mijn man was er nog niet: als lid van de B.B. (Bescherming Burgerbevolking) moest hij wachtlopen. Tegen elf uur werd het de familie Klei (drie personen) onder het bed te gortig: ze kropen langs de akkers naar onze schuilkelder en vroegen of ze er bij konden. Rond half twaalf kwam ook het gezin Zwaneveld (vier personen) eraan kruipen: zij lagen in bed en de schoenendozen op de beddeplank waren al kapot!

We zaten als haringen in een ton: we konden geen kant meer op! De kelder was gebouwd voor negen personen, maar we zaten er inmiddels met z’n zestienen! Elk vierde schot was voor ons: we konden het aftellen! Alsof het nog niet erg genoeg was, zei Jan Rollema: ‘As der hier zo’n ding vaalt, din warren wie net appelmoes!’ De nacht duurde ontzettend lang: tien minuten leken wel een uur! Tegen lichten hield het eindelijk op en konden we naar buiten. De vaart leek omgeploegd, ramen en dakpannen waren kapot en overal in huis lagen granaatscherven.

Maar wat kon ons dat schelen: we waren dolblij dat we er zelf goed afgekomen waren! Bij de familie Anderson hingen de gordijnen in de bomen, zelf zaten ze nog in de kelder. Wij vertelden hen dat het voorbij was en dat ze eruit konden komen. Maar het was nog niet over, het begon weer! Gelukkig duurde het maar even.

Slachtoffers
We hoorden dat er bij de familie Oosterhuis drie mensen waren geraakt! De beide ouders lagen in de bedstee en bleven ongedeerd, maar het gezin van hun (laatst overgebleven) dochter raakte zwaargewond. De familie Bloemendaal zat ernaast in de kelder en hoorde de mensen jammeren en om hulp roepen! Zij zagen echter geen kans om er heen te gaan. ‘s Morgens waren moeder en zoon al overleden, maar de man leefde nog; ze hebben hem nog op een kar met een wit laken erover naar Fivelhörn gebracht. Daar waren dokters en verpleegsters!

Ook waren er twee mensen aan een hartaanval overleden: Piet Dijksterhuis (Lageweg 13) en ‘Oafie’ Wieringa-Kuipers, die op Geweideweg 8 woonde.

Doelen
We kwamen er ook achter waarom ze juist op ons hadden geschoten. Er stonden ‘s middags Duitse auto’s in het dorp; vliegtuigen cirkelden rond en namen foto’s. De auto’s stonden op de vaarten bij de familie Oosterhuis, de familie Anderson (Dorpsweg 8), de familie Wicherts (voormalig brugwachtershuis) en ons (tegenover de slaapkamer).

Op de vlucht
Mijn man had het druk als timmerman en voorganger, maar ik besloot met Tity naar mijn zuster in Den Andel te gaan. We bonden de vluchtkoffers (met ondergoed en lakens) op de fiets en gingen lopend naast de fiets - op weg, richting Thesinge. Onderweg bood de zoon van Abel Kuizinga ons aan om bij hen te blijven: zij hadden volop onderduikers en een man meer of minder kwam er niet op aan. ‘Moeke kookt de halle dag eten.’ Doordat hij in het verzet zat, wist hij dat de oorlog niet lang meer kon duren. (Die mensen hebben wel een medaille verdiend voor hun werk in de oorlog!) Wij gingen echter verder. Dichtbij Thesinge kwamen we Marie Maatjes tegen. Zij vertelde ons dat de bruggen waren opgeblazen en we niet meer naar Den Andel konden. We mochten wel bij hen blijven! Die dag aten we konijn: heerlijk! Thuis hadden we nog een geit met twee bokjes. Omdat we ze niet aan de Duitsers gunden, haalden we ze op. Dat was trouwens nog een heel gedoe. Moeder geit was dat lopen niet gewend en protesteerde hevig. Maar uiteindelijk lukte het toch.

Einde in zicht
We zagen de Duitsers op fietsen voorbijtrekken: ze vluchtten! Om te voorkomen dat ze onze fietsen ook mee zouden nemen, zetten we ze gauw weg! Bij ‘Rollen’ (Ruischerbrug) zagen we ‘s avonds auto’s met een V-teken erop. Later hoorden we dat Pop Dijkema de brug in Oosterhoogebrug (met gevaar voor eigen leven) naar beneden had gedraaid, zodat de Canadezen er over konden.

We gingen om de beurt naar bed; drie hielden de wacht. Om half elf hoorden we opeens: BAMS! Iedereen kwam uit bed en met z’n allen kropen we door het tuinpad naar kweker Ridder. Hij had een grote kelder; daar konden we wel bij in! Een hele verbetering met de vorige nacht: er was zelfs wat te eten en te drinken! En er werd bijna niet meer geschoten!

Inkwartiering
Weer thuisgekomen kregen we inkwartiering. Er werd niet naar gevraagd of je het wel wou, het moest gewoon. In onze voorkamer zouden acht man komen. We sloten de kasten af en legden stro op de vloer. De Canadese soldaten wensten echter geen stro, wel ‘chairs’ (stoelen). We hadden geen last van hen: als ze naar de wc moesten, gingen ze zelfs buiten om. Eén soldaat had waarschijnlijk heimwee en zat vaak bij mij in de keuken. Als hij een sigaret opstak, gaf hij mij ook één: voor de ‘boss’. Ze vroegen ons of we hun epauletten op wilden naaien; als dank gaven ze ons chocolade. Als ze wat over hadden, gaven ze het ons, bijvoorbeeld pakjes thee, stukjes zeep en cacao. Mooi wit Engels brood plus beleg gaven ze aan de kippen! Dat vonden we doodzonde! Ons grauw brood was lang niet zo lekker! Ons roggebrood lustten ze niet, maar ze waren dol op karnemelk (dat maakte ik van geitenmelk en een beetje koemelk).

Geen vlag uit
Ook al waren we bevrijd, we hingen onze vlag niet uit. Er waren vijf doden in Garmerwolde en mijn man kon als voorganger toch geen vlag uithangen! De Canadezen begrepen er eerst niets van: de taalbarrière was te groot! Om toch in een feeststemming te komen, hingen ze vlaggetjes om de lamp.

Rouwdienst
Doordat ze ernstig verminkt waren, moest de familie Van der Reyden zo gauw mogelijk worden begraven. Goed materiaal voor kisten was er bijna niet, daarom legden ze moeder en zoon samen in één kist en de vader in een andere. Toen de begrafenisstoet er aan kwam, hielden de Canadezen een muziekfeest in de tuin bij de pastorie. Mijn man verzocht ze (met handen- en voetenwerk) om tijdens de begrafenis te stoppen. Ze voldeden meteen aan het verzoek. Er werd een grote rouwdienst in de kerk gehouden, waarbij heel Garmerwolde aanwezig was! Er waren maar zes dragers; na de dienst vroeg mijn man vrijwilligers voor de tweede kist: er meldden zich volop! Later werd er met een lijst door het dorp gegaan en betaalden we met z’n allen een monument. Hierdoor weten we ook nu nog dat het in de nacht van 14 op 15 april gebeurde.

Feest
Pas later - toen alles weer ‘normaal’ was - vierden we met z’n allen groot feest en werden vele aspecten van de oorlog in een grote optocht uitgebeeld.’

Menka Kalk-Ellérie (1939):
“De soldaten gingen ook vaak over de Stadsweg. Een aantal Canadese soldaten kwam wel terug tijdens de herdenkingen en dan vroegen ze mij: ’Where are all the farms?’ Al de boerderijen waren ‘burned’. Na de oorlog heeft een pyromaan verschillende boerderijen in brand gestoken. Die militair kon zich nog herinneren dat zij over de Stadsweg kwamen en dat al die boerderijen daar stonden.”