Bevrijding in de kalkovens

Menka Kalk-Ellérie (1939, Bovenrijgeweg 3) vertelt

Ik was een meisje van vijf jaar, maar ik kan me nog erg goed herinneren hoe het was. We woonden in het kleine huisje vooraan op Bovenrijge: vader, moeder, vier kinderen en twee onderduikers. Op een zondagmiddag in april 1945, het werd al wat donker, kwam iemand ons waarschuwen dat de Duitsers ons huisje opeisten en wij er dus uit moesten! Waar heen? Naar de kalkovens, waar de familie Boer en de familie Nijburg ook al zaten. Dekens mee en in de kalkoven (aan de kant van Ten Boer) slapen. We lagen naast elkaar in het stro: zij aan zij.

Toen ik de volgende morgen wakker werd was iedereen al buiten. Ik liep de lange houten loopplank af en mijn moeder kwam me tegemoet met de woorden: ‘We zijn bevrijd, Menk.’ Mijn broer Koos (elf jaar) had nog kans gezien om z’n accordeon mee te nemen: hij speelde vrolijke wijsjes en iedereen danste. Dat gaf een heel blij gevoel! De zon scheen; dat weet ik nog heel goed.

Mijn ouders hadden die morgen om ongeveer zes uur nog een heel angstig moment gehad, toen een Canadees met een stengun in de aanslag bij de ingang van de kalkovens kwam vragen of wij Duitsers waren. Gelukkig kende Piet Boer wat Engels (familie in Canada) en kon aan hem uitleggen dat het goed zat! 

Bij terugkomst in ons huisje was het een puinhoop. De Duitse soldaten en later de Canadezen hadden alle lakens verscheurd voor het verbinden van de wonden. Overal lagen veren en bloederige resten van onze geplukte kippen; ook in de paardenstal vonden we dekens met veel troep erop. Zelfs onze spaarpotten hadden ze opengebroken en leeggehaald. Ons schoorsteenmantelklokje lag tussen de rotzooi en tikte ook nog. Maar mijn altijd optimistische moeder zei: ‘Geft niks, wie leven apmoal nog... t Komt wel weer goud!’ En dat alles, dankzij de kalkovens.’