Herinneringen aan de Tweede Wereld Oorlog en de bevrijding van Garmerwolde

Azing Maat (Grasdijkweg - Slochterdiep - Dorpsweg) vertelt

Inundatie van Garmerwolde tijdens het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog. De boerderij in het midden van de watervlakte is de boerderij van de familie Van Zanten.

‘Aan de bevrijding van Garmerwolde heb ik bijna geen herinnering. Ik was net zes jaar geworden. Wat ik nog weet, is dat tijdens de beschieting vanuit Groningen er granaten over Garmerwolde gingen. Wij, mijn beide zussen en ik, moesten dan onder de keukentafel zitten.

Wij woonden in de oorlog en ook na de oorlog in Fledderbosch in een huisje dat aan de Zuidzijde van de weg, in de lengterichting direct langs de weg stond. Het huisje is in 1957 onbewoonbaar verklaard en in 1959 afgebroken.

Het gebied tussen het Damsterdiep en het Eemskanaal werd door de bezetters op 21 september 1944, onder water gezet. Wij, familie Maat, vader, moeder en drie kinderen, moesten ten gevolge van deze inundatie verhuizen en kwamen terecht bij een broer van mijn vader, Willem Maat wonende aan het Slochterdiep te Garmerwolde (Lageland hoorde toen nog bij Garmerwolde (red.)).

Dit is echter van korte duur geweest, aangezien er op 7 oktober werd begonnen ook het gebied ten zuiden van het Eemskanaal onder water te zetten. Het werd dus weer verhuizen. Deze keer bij de familie Kuipers (schilder, Dorpsweg 11), waar wij een deel van de woning tot onze beschikking hadden.

Door de inundatie zag men ook mogelijkheden. In het voorjaar van 1945 ging mijn vader in een roeiboot regelmatig naar de boerderij van Lambertus Hofman, staande in de Fledderbosscherpolder. In een van de bijschuren was de oogst van 1944 nog opgeslagen. De aanwezige bruine bonen en grauwe erwten waren het doel van deze exercitie. De peulvruchten werden ter plaatse met de vlegel gedorst. Op de terugweg naar de bewoonde wereld werden vaak niet alleen peulvruchten meegenomen, maar werden ook de nesten van aanwezige zeemeeuwen bezocht en ontdaan van de eieren. De meegenomen eieren waren voor de liefhebber. De gedorste peulvruchten werden verdeeld onder familie en kennissen, waarbij ook een paar adresjes in de stad niet werden vergeten.

Halverwege juni 1945 waren de geïnundeerde gebieden weer grotendeels drooggevallen. Nadat ook de huizen weer waren opgedroogd, waar nodig gerepareerd en grondig schoongemaakt zijn wij toen ook weer naar Fledderbosch verhuisd.Wachtlopen bij boerderij van Stollenga

Direct na de bevrijding toen de verkeerde Nederlanders waren gearresteerd, was men bang dat de boerderij van Stollenga (inmiddels afgebroken, nu Koningsheert) in brand zou worden gestoken. Om dat te voorkomen moest er bij de boerderij wacht worden gelopen. Ook mijn vader, Jan Maat, moest hier aan deelnemen. Op zich niet zo’n probleem, ware het niet dat de wacht werd uitgerust met een geweer geladen met scherpe patronen. Om ongelukken te voorkomen heeft hij toen eerst de scherpe patronen uit het wapen gehaald en vervolgens met een ongeladen geweer zijn wacht gelopen. De boerderij is behouden gebleven.’

Gezusters Leugs (1933 en 1937):
“Bij ons kwam een barones Van Ittersum, uit Amsterdam. Ze was met de trein hierheen gekomen. Ze was bij de boeren langs gegaan en moest koren hebben. Ze kwam ook bij ons. We wisten toen nog niet dat zij een barones was. Ze zegelde alles met rode zegellak en een zegel.”