Lekker eten en drinken

Lies Schaaphok bij een spintvat (links) en de kleinere maten.

‘Mijn vader verbouwde groente, die hij aan de veiling of aan de deur verkocht. Groente en fruit eten heb ik dus van huis uit meegekregen. Als ik ‘s winters uit school thuis kwam, kreeg ik van grootmoe een gepofte appel met suiker erover. Die appel werd in de oven gelegd. Bij ons stond het fornuis in de kamer, zo’n kookkachel met emaille front. Aan de voorkant zaten deurtjes naar de oven. Over de zomer was er volop keuze in groente en fruit. Voor de winter was het zaak om ze te kunnen bewaren. Een vriezer hadden we niet. Weck was een mogelijkheid. Maar bij ons thuis gebruikten we vooral drogen en inmaken. Aardappelen werden onder de bedstede bewaard, met de bloembollen.

Drogen
Appels werden gedroogd. Mijn vader nam de geschilde appels mee naar de steenfabriek waar hij werkte. Daar droogde hij de appels op de ovens. Hij kreeg altijd minder appeltjes mee dan hij er heen bracht; er waren veel liefhebbers voor. De appels kon je een hele poos bewaren in een trommel. Je gebruikte ze in de stamppot. Voor gebruik liet je ze een poosje in water weken en dan kon je ze meekoken. Van zoete appels kookten we hete bliksem (stamppot zoete appels). Ook hardschilde bonen werden gedroogd. De bonenstruiken werden in het najaar geoogst en te drogen gehangen op zolder. Door de winter heen als ze voldoende gedroogd waren, dopte Menno Beerda ze. Hij was de kostganger van mijn grootouders. De bonen werden in witlinnen zakken bewaard. We verkochten de bonen per spint. Voor de soep en de stamppot. Veel mensen noemen stamppot bonen ‘stopverf’. Wij noemden het noga, omdat het daar erg op leek. Ook soepgroente droogden we in de oven. Bijvoorbeeld peterselie.

Inmaken
We hadden veel kruiden op de tuin staan: dille, tijm, maggiplant (lavas). Kool werd ingemaakt in eierpekel. Dat is zout water dat zo zout is, dat een gekookt ei erin blijft drijven. Snijbonen werden gesnipperd in de snijmolen en ingemaakt in zout. Ook bewaarden we augurken in zuur. Peertjes werden ook wel in het zoet-zuur ingemaakt. Witte en rode kool bewaarden we hangend aan de steel aan een balk. Ze bleven dan een hele tijd goed. Prei werd ingekuild en winterwortels bleven een heel deel van de winter goed door ze in zand te bewaren. Rijst aten we vroeger thuis eigenlijk niet. Mijn grootouders wel. Tijdens de voorjaarsschoonmaak aten we bij hen rijst met bruine suiker, kaneel en gesmolten boter. Droge metworst werd erbij gegeven, in dunne plakjes gesneden op schoteltjes.

Drankjes
Zwarte bessen zetten we op brandewijn. Mijn vader was ook bijenhouder. Hij maakte een honingdrank, mede. Met oud en nieuw maakte ik wel godenwijn. Je snijdt ongeveer vijftien citroenen in stukken, voegt daar wel een kilo suiker aan toe en giet daarover een droge witte wijn. Dit laat je een paar dagen staan. Dit godendrankje schonk ik dan op nieuwjaarsdag.

Smakelijk eten
Met die grote variatie aan groente, kruiden en vers fruit was het voor mij altijd een plezier om te koken. We aten regelmatig gestoofde peertjes met kaneel. Erwtensoep en bonensoep kookte ik met veel kruiden en specerijen. Griesmeelpudding gaf ik daar dan altijd als toetje bij, met bessensap.’