Nieuwjaar met een paar druppels Catz

Likeurstokerij, bitterfabriek en distilleerderij van Catz & zoon uit Pekela, met de hoogste onderscheiding in Amsterdam (1853), Londen (1862), Wenen (1875), Philadelphia (1876), Parijs (1873 en 1876).

Lies Schaaphok-Smit vertelt hoe zij vroeger als kind kerst en Oud en Nieuw vierde. Ze woonde toen ook al op Zevenhuisjes langs de Rijksweg. Eerst in het huis van haar ouders. Later kocht ze met haar man het huis van haar grootouders, ook op Zevenhuisjes en woonde haar grootvader Smit uit Bedum bij hen in.

‘Met kerst hadden we geen kerstboom, wel wat versiering. Later maakte ik thuis zelf kerstversiering van zilverpapier. Als klein meisje ging ik met de zondagsschool naar de kerstviering in de kerk. We kregen warme chocolademelk met een kerst-kransje en na afl oop was er voor ieder een boek cadeau. Op school repeteerden we de kerstliederen die we dan voor alle kerkgangers zongen. Verder deden we met kerst niets bijzonders. We gingen gewoon aan het werk: de dieren moesten verzorgd. We hadden geiten, kippen en konijnen. Vader slachtte met kerst altijd een konijn. Maar daar wilde ik nooit iets van eten.

We hadden het vroeger met Oud en Nieuw druk met rolletjes bakken. Moeder maakte het deeg, vader bakte en ik rolde de pasgebakken koek tot rolletje. Daarvoor had ik een speciaal stokje. Vader stookte de kachel in de kamer op, want rolletjes bakken deden we niet in de keuken. Onze kolenkachel met een mooi vuurtje was het centrum van de drukte. We aten de rolletjes op nieuwjaarsdag, bij de koffie en de borrel en voor ieder die bij ons langs kwam. We aten ze thuis naturel. Pas veel later deden we er slagroom in. Op Oudejaarsavond bleven we op tot twaalf uur. We gingen niet naar het dorp; dat was te ver lopen. Ik kan me ook niet herinneren dat er toen een traditie van kloksmeren was. Nieuwjaarsdag en de dagen erna waren we druk met nieuwjaarsvisites afleggen. We gingen bij familie, buren en vrienden langs.

Mijn grootmoeder die hier ook op Zevenhuisjes woonde, maakte altijd brandewijn met rozijnen. Ik maakte zelf later Godendrank, een recept dat ik een keer uitprobeerde en dat heel veel succes had. Het is heel eenvoudig te maken: een fles witte bourgogne, veel citroenen, suiker en kaneel. Dat laat je een paar dagen in een stopfles staan. Serveren in een bowl-schaal, maar een soepterrine kan ook heel goed en uitscheppen met een ‘slaif’. Mijn vader dronk bij bijzondere gelegenheden jenever met wat druppels van Catz. Catz was een likeur of bitter dat in Groningen werd gemaakt - om precies te zijn in Pekela - en dat in de 19de eeuw grote bekendheid genoot. Een roodbruine kleur en een aparte smaak maakte de gewone jenever tot een drankje voor speciale gelegenheden.’