Zelf brandstof maken in de oorlog

Steenfabriek Limborgh Meijer op de achtergrond (foto: Siete Akker)

“Toen de Tweede Wereldoorlog begon was ik zeventien jaar. Er kwam gebrek aan van alles. Veel spullen moest je op bonnen zien te krijgen, zoals kleding, linnengoed, schoenen en kruideniersartikelen. Maar aan die bonnen had je vaak niet genoeg. Er werd ook veel geruild. Wij hadden thuis een tuin, waarop we veel producten verbouwden die we ook konden ruilen tegen spullen die we nodig hadden. Ik herinner me nog één jaar dat mijn opa en ik elf rijen hardschillige bonen hebben gepoot. Het was veel werk, maar we konden ze heel goed gebruiken om te ruilen want je kon ze gedroogd lang bewaren.

Net als alles was ook brandstof op bonnen verkrijgbaar. Vaak vulden mensen dat aan met hout, van bomen die zij omzaagden of van hekken, steiger en damposten; alles wat los en vast zat en brandbaar was. Mijn vader had wat eierkoolgruis op de kop getikt. Dat is het afval van eierkolen en op zich niet te gebruiken als brandstof. Maar mijn vader en opa, die bij ons op Zevenhuisjes woonde, hadden bedacht dat ze er wel brandstof van konden maken door er klei doorheen te mengen en er soort poffertjes van te bakken. Mijn vader werkte op de steenfabriek van Limborgh Meijer te Ruischerbrug. Daar was voldoende klei. De klei werd in een oude pot gedaan, water erbij en dan maar roeren tot het goed van dikte was. Dan werd het kolengruis erbij gedaan en maar weer roeren. Tot de verdeling goed was. Het werd een lekkere smurrie. De smurrie werd in kleine aardewerken bloempotjes gedaan, als vorm. Onder de kapschuur achter het huis maakte opa een droogtafel. Daarop werden de potjes leeggekiept en ontstond er een rij poffertjes. De wind waaide mooi om de poffertjes heen waardoor het goed droogde. Toen kwam het belangrijke moment om te zien of het ook als brandstof wilde werken. In de kamerkachel maakten we een ondervuur waarop we de kleipoffertjes stapelden. Het brandde als een tierelier. Ook de kookkachel in de keuken werkte er goed op, ook al moest daar een groter ondervuur onder. Het was een geweldige uitvinding. Mijn vader kon later nog een partij gruis krijgen. Zo kwamen wij in de oorlog de winter door.

Opa had verstand van vuren. Hij had als brander gewerkt op de steenfabriek ‘De Nijverheid’ in Bedum. Later werd hij brandmeester op de steenfabriek van Limborgh Meijer in Ruischerbrug. Deze steenfabriek maakte deel uit van de NV Groninger Steenfabrieken. Naast de steenfabriek in Ruischerbrug was er nog een aardewerkfabriek in Ruischerbrug en een steenfabriek in Onderdendam. Directeur was J.H. Limburgh Meijer (1989-1952). De productie van beide steenfabrieken was 12.000.000 metselstenen per jaar. In 1925 werden de steenmachi-nes in Ruischerbrug in één fabriek geconcentreerd. De aardewerkfabriek kon zich toen meer richten op de productie van aardewerk. Naast geglazuurde producten als schoorsteenpotten en drinkbakken voor kippen kwam er steeds meer huishoudelijk aardewerk. Over de aardewerkfabriek die in 1931 de naam Adco kreeg, een andere keer meer.”